Over afdelingsgrenzen heen langer thuis wonen mogelijk maken

In toenemende mate krijgen gemeenten te maken met aanvragen voor mantelzorgwoningen. In juli 2017 leidde dit bij de gemeente Oss tot aanpassing van het mantelzorgwoonbeleid om haar inwoners in staat te stellen te anticiperen op toekomstige zorgvragen. De aanpassing in het beleid illustreert hoe ambtenaren ruimtelijke ordening en sociaal domein binnen de gemeente toenadering tot elkaar zoeken, en met oog voor inwoners tot nieuw beleid komen. Een gesprek met Ilona Meuwissen, beleidsmedewerker Sociaal Domein, en Ruben van den Broek, jurist/beleidsmedewerker ruimtelijke ordening over het doorlopen proces.

“Niet elke gemeente heeft te maken met aanvragen voor mantelzorgwoningen. De gemeente Oss wel, omdat het een groot buitengebied heeft,” aldus Van den Broek. Casussen over mantelzorgwoningen komen via verschillende kanten bij de gemeente binnen: via het sociaal domein, de afdeling ruimtelijke ordening en via het College. “Er was een mix van redenen waardoor we hebben besloten de casussen te onderzoeken en te verkennen op welke manier het mantelzorgwoonbeleid kan worden verruimd,” vult Meuwissen aan. “Zo heeft de Raadgever Sociaal Domein de gemeente gevraagd het beleid rondom mantelzorgwoningen beter uit te werken. Ook waren er enkele aanvragers die na het krijgen van een afwijzing, een gesprek met de gemeente hebben aangevraagd. Daarnaast speelde het onderwerp in het College. In januari 2017 besloot het College om de 65+ regeling (nog) niet in te voeren, maar eerst te verkennen of er andere opties waren om het mantelzorgwoonbeleid te verruimen.”

Doorlichting bestaand beleid en processen

Om die redenen is in de gemeente een werkgroep opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de afdeling ruimtelijke ordening, vergunningverlening & handhaving en van het sociaal domein. Deze werkgroep bracht het bestaande beleid in kaart en keek naar wie wat doet in het proces van de aanvraag. Vanuit de afdeling vergunningverlening (VTH) stuurt de medewerker de aanvraag door naar een consulent van de afdeling zorg om een mantelzorgindicatie te krijgen. De consulent beoordeelt of er sprake is van mantelzorg. De consulent heeft de mogelijkheid om een onafhankelijke keuringsarts in te zetten op momenten dat de aandoening moeilijk te objectiveren is of als er sprake is van een complexe situatie. Van den Broek vertelt: “Bij het gehele proces zijn al verschillende afdelingen betrokken en de onderlinge samenwerking neemt toe door de hervorming van de langdurige zorg en het langer thuis wonen van bijvoorbeeld ouderen.”

Drie categorieën aanvragen

De werkgroep onderzocht de verzamelde casussen en deed navraag bij de Raadgever Sociaal Domein en bij de ouderenraad. Wat speelde er in deze casussen en om wat voor mantelzorg ging het? Hieruit bleek dat er eigenlijk drie groepen te onderscheiden zijn: 1) mensen die nu mantelzorg ontvangen, 2) mensen die klachten hebben, maar nog geen mantelzorg nodig hebben maar op termijn wel en 3) mensen die nadenken over langer thuis wonen en hoe ze mantelzorg op termijn vorm kunnen geven.

“Die eerste groep is geen probleem,” vertelt Ilona Meuwissen, “Daar volgen we de landelijke richtlijn en dat loopt goed. Bij de tweede groep anticiperen mensen op wat op korte termijn gaat komen. Ze zijn nog vitaal maar hebben op relatief korte termijn ondersteuning nodig. Op basis van de huidige regels mogen zij geen mantelzorgwoning bouwen, omdat er nog geen mantelzorg wordt geboden. Maar hoe mooi zou het zijn als wij vanuit een stuk vertrouwen bijdragen aan het creëren van een situatie waarin mensen thuis kunnen blijven wonen. Het zou te gek voor woorden zijn als we nee zeggen, want dit is juist in de geest van de Wmo.” Dit geldt ook voor de derde categorie. Deze aanvragers vallen binnen het woonbeleid omdat de woning geen mantelzorgwoning genoemd kan worden.

Aanpak verschilt per categorie

De verkenning heeft geleid tot een advies van de werkgroep over de herziening van het beleid. Sinds juli 2017 kent de gemeente ook vergunningen voor een mantelzorgwoning toe aan mensen met een (langzaam) progressieve ziekte en hun mantelzorger(s), zoals COPD, een beginstadium van kanker of mensen met artrose. De gemeente wil inwoners zo faciliteren bij het langer thuis kunnen blijven wonen met hulp en ondersteuning van hun naaste. Als criterium stelt de gemeente dat de mantelzorgverlening binnen vijf jaar te verwachten is. “De grens van vijf jaar is geen hard criterium. Er is geen protocol voor gemaakt, de medewerkers werken vanuit een maatwerkgedachte en zullen per casus een afweging moeten maken. Een onafhankelijk arts kan daarbij helpen als het nodig is.”

De derde categorie is nog onderwerp van overleg. Deze categorie is volgens de geïnterviewden complexer van aard. Er zijn geen signalen dat mantelzorg in de nabije toekomst nodig is. De gemeente wil onderzoeken of binnen het woonbeleid wellicht andere keuzes gemaakt kunnen worden om deze groep te ondersteunen.

Doen wat nodig is vraagt nieuwe cultuur en werkwijze

De verruiming van de mantelzorgwoonregeling past in de denkgeest van de gemeente. “Oss wil een faciliterende overheid zijn. De ambtenaren worden in toenemende mate gestimuleerd om maatwerk te leveren, te doen wat nodig is.” Niet alle afdelingen hebben daar al evenveel ervaring mee; soms hebben medewerkers moeite met adviezen die niet zwart wit zijn. Van den Broek legt uit dat het bestemmingsplan nog moet worden aangepast, maar afdeling Vergunningverlening moet al wel denken vanuit de nieuwe beleidsregel op grond van een tijdelijke regeling voor het bestemmingsplan. Die beoordelingsruimte is lastig, dat is men minder gewend. Zaken moeten altijd juridisch goed afgedekt zijn. Binnen het Sociaal Domein wordt al langer gewerkt vanuit de maatwerkgedachte, de medewerkers daar hebben er al meer ervaring mee.”

Wethouder van de Ven van de gemeente Oss voegt hieraan toe:

“We vinden het fijn dat onze inwoners langer mee blijven doen en bijvoorbeeld zelfstandig kunnen blijven wonen. Dan moeten we als gemeente ook mee durven denken in ‘wat er wél kan’. Het dwingt onze eigen organisatie nog meer om gezamenlijk vanuit verschillende disciplines de vraagstukken te benaderen. Daardoor gaan we nog meer van buiten naar binnen redeneren. Soms vraagt dat om lef om mee te bewegen, ook al past dat niet altijd binnen de lijntjes.”