Opiniestuk: De beleefbare provincie

Door Radboud Engbersen en Koos van Dijken

Nederland is misschien niet het allermooiste land van de hele wereld, maar we komen dicht in de buurt. Wie drie maanden na de Provinciale Statenverkiezingen van maart alle provincieakkoorden heeft gelezen, zoals wij hebben gedaan, moet weerstand bieden tegen de aanvechting de zomervakantie in eigen land te boeken. De akkoorden vormen een meerstemmig loflied op het Nederlandse landschap. De vraag is of provincies hun ruimtelijke rijkdom niet dreigen te offeren aan hun alles overheersende ambitie om economisch te excelleren. Is er één thema dat de akkoorden verbindt, dan is het economie. De boodschap die uit alle gewesten opklinkt, is dat je met landbouw, landschap, natuur, water en erfgoed wél je boterham moet kunnen verdienen. Of zoals het in de akkoorden staat, ze moeten ‘beleefbaar’ zijn.

De keuze is begrijpelijk. De provincies zijn diep geraakt door de crisis. ‘Gelderland komt uit de zwaarste crisis van de afgelopen 50 jaar’, staat er in hun akkoord. Tegelijkertijd voert optimisme de boventoon. ‘Na de economische winter, is de lente in aantocht’, schrijft Brabant. De overtuiging dat het economisch getij is gekeerd, treffen we overal aan, én de overtuiging dat een internationale oriëntatie bedrijvigheid en banen oplevert. Geen grensweerstanden meer, het gaat om grensoverschrijdend denken. Een revival van het vak Duits op middelbare scholen kondigt zich in de akkoorden aan. We zien een sterke economische oriëntatie op Duitsland. Dit geldt in de eerste plaats voor Limburg, maar ook Gelderland zoekt strategische samenwerking met de buren (Nordrhein-Westfalen). Groningen wil het werken over de grens vergemakkelijken en ijvert voor een snellere treinverbinding met Bremen. Drenthe heeft een Duitsland-agenda. Maar de provinciale blik reikt verder dan de directe buren. Niet alleen de Randstedelijke provincies denken mondiaal, ook ‘Fryslân gaat meer de wereld in’, terwijl in Brabant ‘de wereld van morgen’ gemaakt wordt. ‘Brabant als creatieve experimenteerplek voor de rest van Nederland, Europa en de wereld.’

Ondanks hun internationale ambities, weten de provincies de profielen van hun regionale economieën maar bleekjes te benoemen. Het is alles circulaire economie, netwerkeconomie, energietransitie en duurzaamheid wat de provinciale klok slaat. Het blijft bij aanzetten tot het benoemen van het eigen unieke economische DNA. ‘We zijn het land van Melk en Water‘, schrijft Friesland en ze wijst op de aanwezige innovatieve water- en zuiveltechnologie. Het voorbeeld maakt meteen duidelijk dat het niet makkelijk is economische en landschappelijke belangen op elkaar af te stemmen. Het loslaten van het melkquotum zorgt voor nieuwe zuivelfabrieken en megastallen, met het risico op landschappelijke monoculturen. Graaft Friesland daarmee haar economische graf? Kwaliteitsverlies van het fraaie Friese landschap kan tot een economisch drama leiden op terreinen van toerisme, recreatie en de markt voor tweede huizen.

De provincies, die voorheen bekend stonden als begripvolle partner van de kleine kernen, stellen de steden centraal. Friesland met zijn 400 dorpen typeert zichzelf als ‘netwerkstad Fryslân’, Brabant ziet zichzelf als ‘mozaïekmetropool’ en ook Noord- en Zuid-Holland hebben hun ‘metropoolregio’. Maar het is belangrijk in de gaten te hebben dat steden in de sfeer van groen al een tijdje bezig zijn met een spectaculaire kwaliteitssprong. Zie de upgrading van stadsparken, natuurspeeltuinen, waterparken, volkstuinen, de explosie van geveltuinen en stadslandbouw, maar zie ook de stedelijke woonmilieus die vormen van luwte aanbieden. Straks staan koeien in de grootstedelijke achtertuinen en windmolens in die van de plattelander. De vraag is of de provincies hier voldoende alert op zijn.

‘Beleving’ is het dragende concept voor provincies waar het de natuur, het water, het landschap en het erfgoed betreft. Geen heilige, onaanraakbare natuur, en ook de herbestemming van de groeiende erfgoedberg (religieus, architectonisch, landschappelijk, agrarisch, industrieel) vraagt volgens de akkoorden in de eerste plaats ondernemingsgeest. Deze alles overheersende economische invalshoek kan ook tot aantasting van de Nederlandse landschappen leiden. Bovendien is het voor landelijke regio’s niet eenvoudig te concurreren met de stedelijke belevingsindustrie (festivals, winkels, musea, monumenten). De vraag is of provincies deze concurrentieslag om beleving tot in alle hoeken en gaten van het land moeten stimuleren. De provincies willen hun regionale economieën versterken, maar dat zou niet ten kosten mogen gaan van het Zuid-Hollandse kust-, veenweide- en rivierdeltalandschap, het werelderfgoed van de Wadden, de Utrechtse heuvelrug, et cetera. Ook rust en ruimte zijn een groot goed. Gezaghebbende interprovinciale regie en coördinatie zijn de komende jaren nodig om de kwaliteit van onze gebouwde omgeving en landschap te bewaken en waar dat maar mogelijk is te verbeteren. Het zou toch niet zo mogen zijn dat straks de echte stilte slechts gevonden kan worden in een leegstaand kantoor op een ergens langs een snelweg in de steek gelaten zichtlocatie.


’Dit opiniestuk is op 10 juli gepubliceerd in de Volkskrant.

Meer informatie

Radboud Engbersen

06 19 87 24 64 – radboud.engbersen@platform31.nl
LinkedIn Logo 11x41

Koos van Dijken

06 35 11 58 15 – koos.vandijken@platform31.nl
LinkedIn Logo 11x41