Leefbaarheid als uitgangspunt voor krimponderzoek

Interview met Bettina Bock, Rijksuniversiteit Groningen
Door: Saskia Hinssen, Platform31

Als het aan Bettina Bock ligt is plattelandsontwikkeling geen regionale, maar een nationale en zelfs Europese aangelegenheid. Als bijzonder hoogleraar Bevolkingsdaling en Leefbaarheid voor Noord-Nederland aan de Rijksuniversiteit Groningen verbindt ze de komende vijf jaar haar kennis van rurale sociologie aan bevolkingsdaling en leefbaarheid. Vanuit dat perspectief verwacht ze een waardevolle bijdrage te leveren aan een toekomstige kennisagenda voor krimponderzoek.

U zou de eerste hoogleraar in Nederland zijn die zich specifiek richt op bevolkingsdaling en leefbaarheid. Klopt dat?

“Ik ben misschien de eerste hoogleraar met deze specifieke titel, maar lang niet de eerste die zich met het thema leefbaarheid bezighoudt. Zo richt collega Gert-Jan Hospers zijn onderzoek op het snijvlak van economie, geografie en innovatie en bekleedt Frank Cörvers de leerstoel demografische transitie, menselijk kapitaal en werkgelegenheid. En er doen meer wetenschappers onderzoek op dit terrein. Dat er nu een bijzonder hoogleraar is aangesteld waarbij leefbaarheid exclusief is opgenomen in de titel, illustreert wel het belang van het onderwerp in Nederland.”

Vanwaar uw interesse in dit thema?

“Dat ik me destijds specialiseerde op het onderwerp plattelandsontwikkelingen werd getriggerd door de ongelijkheid die ontstond in de meer afgelegen gebieden en het onvermogen van het landbouwbeleid om echte samenhang tussen plattelandsgebieden te realiseren. Hierdoor werd de sociale ongelijkheid steeds groter. Hoewel bevolkingsdaling niet op zichzelf staat in mijn onderzoeken, heeft het wel grote gevolgen voor de leefbaarheid in plattelandsgebieden. Daar bestaat het risico dat gebieden in een negatieve spiraal terechtkomen.”

Hoe kan wetenschappelijk onderzoek die negatieve spiraal doorbreken?

“Allereerst probeert onderzoek het huidige beleid te doorgronden. In plaats van blindstaren op het stoppen van bevolkingsdaling, is het zinvoller te onderzoeken wat de kansen zijn. Hoe maken en houden we krimpgebieden leefbaar? Onderzoek helpt ons om naar krimp te kijken vanuit een ander perspectief. Interessante vraag vind ik bijvoorbeeld: hoe kunnen we het mobiliteit- en migratievraagstuk effectief benutten voor plattelandsontwikkeling? In de plattelandssociologie zijn we vooral geneigd te focussen op mensen die permanent wonen in leeglopende plattelandsdorpen. Volgens mij moeten we juist ook kijken naar mensen die er tijdelijk wonen of die er zijn weggetrokken, maar zich nog wel betrokken voelen en toegang bieden tot nieuwe netwerken en nieuwe ideeën.”

Wat is er concreet nodig om krimpgebieden levendig en interessant te houden?

“In Nederland, waar de afstanden relatief klein zijn, hoeft het niet zo ingewikkeld te zijn om stad en platteland steviger te verbinden. Op kleine schaal gebeurt dit bijvoorbeeld al bij energiecoöperaties waarbij mensen direct energie inkopen bij de bron. Mobiliteit gaat dus verder dan de fysieke migratie van de ene naar de andere plaats. Desondanks speelt het onderscheid tussen the core en the periphery nog steeds. Vanwege centralisering en verstedelijking creëren we immers metropolitane kernen en raakt het achterland steeds verder achterop. Die verbindingen kunnen we weer in ere herstellen. Dankzij de mogelijkheden van ICT ontstaan er talrijke manieren waarop mensen zich met elkaar verbonden kunnen voelen. Zodanig dat de perifere ligging er niet meer toe doet. Veel initiatieven voor biologische landbouw, directe verkoop of agrotoerisme zijn tot stand gekomen door zogeheten ‘nieuwkomers’ uit de stad. Het is ook belangrijk vast te stellen dat bevolkingsdaling veel sociale vernieuwing stimuleert. Neem de zorgcoöperaties die nu in opkomst zijn. Die bieden veel meer dan een noodoplossing voor verdwijnende voorzieningen. Ze verbeteren structureel de kwaliteit van de zorg, omdat zij beter aansluiten op wat mensen willen en hun autonomie vergroten. Het gaat bij dit soort projecten om innovaties die leiden tot kwaliteitsverbetering en die relevant én toepasbaar zijn in stad én regio.”

Hoe zou de relatie tussen veerkracht en burgerkracht er idealiter uitzien?

“Het recept daarvoor heb ik niet. Wel weet ik dat burgerkracht en veerkracht onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en grenzen kent. Opmerkelijk is dat veel mensen het over dat laatste, de grenzen van burgerinitiatieven, niet graag willen hebben. Burgerinitiatieven worden veelal als hét redmiddel voor de krimpproblematiek gepresenteerd. Terwijl het belangrijk is om ons ook te realiseren dat het veelal om initiatieven gaat waarin niet alleen burgers deelnemen. Ook gemeenten, woningcorporaties of particuliere ondernemingen spelen daarin een belangrijke rol. Logisch ook, die gezamenlijke inzet en bemoeienis maakt het makkelijker om een kansrijk initiatief langer draaiend te houden dan met vrijwilligerswerk alleen. Dat noem ik sociale innovatie en dat vergt meer dan burgerinitiatief.”

Uw onderzoek richt zich sterk op plattelandsontwikkeling in Europa, waarbij gemarginaliseerde regio’s en groepen centraal staan. Waarom is krimp volgens u een Europese aangelegenheid?

“Dat heeft vooral te maken met de concurrentiepositie van gebieden. Een voorbeeld: biedt de werving van Europese arbeidsmigranten een oplossing voor ons nationale arbeidstekort, het veroorzaakt tegelijkertijd een krimpende arbeidsmarkt in landen als Polen of Bulgarije. De vraag die mij bezighoudt is of we met een meer mobiele aanpak van plattelandsontwikkeling kunnen zorgen voor verbinding. Met de in Nederland opgedane kennis zijn Polen bijvoorbeeld begonnen om asperges te telen in eigen land. Hoewel de vluchtelingenproblematiek momenteel een schaduw werpt op het ooit zo gekoesterde Schengenakkoord, denk ik nog steeds dat de landsgrenzen in de toekomst steeds verder vervagen. Dat begint met mensen die hun boodschappen doen over de grens en breidt zich uiteindelijk idealiter uit tot gezamenlijk beleid op het gebied van wonen, onderwijs, arbeidsmarkt en infrastructuur. Gebieden die we nu bestempelen als perifeer, liggen dan ineens veel centraler in Europa.”

Welke rol speelt verstedelijking in bovenregionale en grensoverschrijdende plattelandsontwikkeling?

“Verstedelijking is de dominante trend. Verhoudingen tussen stad en platteland veranderen. Zowel op het gebied van ondernemerschap als de manier waarop we beleidsmatig over landbouw denken. Bevolkingsdaling wordt door veel politici gezien als een probleem dat de regio zelf moet oplossen. Dat oude core versus peripheral-model zien we zowel in Nederland als Europa. Die groeiende ongelijkheid heeft deels te maken met achterblijvende plattelandsgebieden, maar ook dat de toekomst letterlijk stedelijk geframed wordt. Dat vind ik een opmerkelijke ontwikkeling, omdat stad en platteland met elkaar samenhangen. Datzelfde geldt voor groei en krimp. Overigens is krimp ook een gevolg van beleid, zowel lokaal als nationaal. Beleid dat onbedoelde gevolgen heeft voor het platteland, bijvoorbeeld in termen van hervormingen van de welvaartstaat of de zorg. Daarom denk ik dat we meer op nationaal niveau moeten kijken naar de wijze waarop ons beleid mensen in de regio treft.”

Wat zou u de komende vijf jaar graag bereiken als bijzonder hoogleraar Bevolkingsdaling en Leefbaarheid voor Noord-Nederland?

“Bovenaan mijn lijst staat het doen van vergelijkend onderzoek in Nederland. Veel onderzoeken en experimenten zijn gericht op afzonderlijke krimp- en anticipeerregio’s. Ik zou het interessant vinden als we op diverse thema’s de onderzoeksresultaten met elkaar vergelijken. Om beter te kunnen begrijpen wat die krimpregio’s gemeenschappelijk hebben. Wat is de tendens, wat kunnen ze van elkaar leren als we het hebben over ongelijkheid? Wat maakt nieuwe vormen van sociale innovatie mogelijk? Misschien biedt een krimpgebied wel bij uitstek goede voorwaarden voor sociale innovatie. De urgentie is er immers en onze krimpregio’s liggen relatief dicht bij elkaar. Dat vergt meer onderzoek naar processen van sociale innovatie op het platteland. Daarnaast wil ik weten hoe we mobiliteit niet alleen theoretisch beter in plattelandsontwikkeling kunnen integreren, maar ook beleidsmatig. Uiteindelijk is het volgens mij van groot belang om de vraagstukken van verstedelijking en bevolkingsdaling meer geïntegreerd te benaderen, zodat we voor de lange termijn beter inzichtelijk maken wat we met ons platteland en de krimpregio’s willen.”

Meer informatie

Prof. Dr. ir Bettina Bock (1960) is sinds 1996 als plattelandssocioloog verbonden aan Wageningen University, waar ze werkt als Universitair Hoofddocent. Belangrijke thema’s in haar onderzoek zijn plattelandsontwikkeling, burgerparticipatie en sociale innovatie, multifunctionele en duurzame landbouw. Sinds 1 September 2015 werkt zij een dag in de week als bijzonder Hoogleraar Bevolkingsdaling en Leefbaarheid in Noord Nederland bij de faculteit ruimtelijke Wetenschap, Culturele Geografie, aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarnaast is ze bestuurslid van de Europese en Internationale Vereniging van Rurale Sociologie en hoofdredacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Sociologia Ruralis. Contact:b.b.bock@rug.nl

De bijzondere leerstoel Bevolkingsdaling en Leefbaarheid voor Noord-Nederland is voor 5 jaar ingesteld vanwege de Stichting ter Bevordering van de Ruimtelijke Wetenschappen bij de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de RUG, met steun van de provincies Groningen, Fryslân en Drenthe.

Contact

Radboud Engbersen

Radboud Engbersen

Senior projectleider

06 19 87 24 64