Frisse treden op de Ladder

De Ladder voor duurzame verstedelijking is volgens minister Schultz van Haegen een belangrijk instrument voor een goede ruimtelijke ordening. Zij wil het instrument in stand houden onder de Omgevingswet. Dit blijkt uit een brief die de minister naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De Ladder moet zorgen voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Wel verandert het instrument vooruitlopend op de Omgevingswet. Verschillende knelpunten bij toepassing van de Ladder vragen om een oplossing: onduidelijk begrippenkader, de toepassing van de Ladder bij globale en flexibele bestemmingsplannen, de onderzoekslasten en de regionale afstemming.

De Ladder agendeert de discussie over de ruimtelijke gevolgen van krimp en leegstand. De Ladder dwingt tot het maken van keuzes in tijden van afnemende groei. In die zin functioneert dit instrument goed: in Nederland zijn wij immers pas sinds kort gewend te denken in termen van krimp. Maar soms schiet te de Ladder te ver door. Met name globale en flexibele bestemmingsplannen hebben hier last van. Om dit te ondervangen, overweegt de minister het begrip ‘nut en noodzaak’ in de plaats te laten komen van het begrip ‘actuele regionale behoefte’. Dit moet leiden tot een vereenvoudiging van de toepassing in de praktijk. Het doel is dat de onderzoekslasten voor globale en flexibele bestemmingsplannen hierdoor verminderen. De eis om per functie te beoordelen of er een actuele regionale behoefte is, voert te ver. Dit zorgt er ook voor dat gemeenten soms toch maar kiezen voor een gedetailleerd bestemmingsplan.

Verbeteren regionale afstemming

De minister constateert dat de regionale afstemming verder moet verbeteren. Het aantonen van de regionale behoefte is lastig op het moment dat een ontwikkeling lokaal is of als gemeenten concurrenten van elkaar zijn. De minister gaat hiervoor in gesprek met gemeenten en provincies over de manier waarop de regionale afstemming verder kan verbeteren. Nu zal het ervaren problemen van concurrentie lastig zijn op te lossen. De Ladder heeft immers tot doel om ervoor te zorgen dat deze concurrentie niet leidt tot onnodig bouwen voor leegstand.

Jurisprudentie geeft inzicht

Het ministerie heeft recent onderzoek laten uitvoeren naar de jurisprudentie over de Ladder. Hieruit blijkt dat bij de meeste onderzochte zaken (70%) de beroepen ongegrond werden verklaard, omdat de motivering goed was ingestoken. De Ladder wordt steeds beter toegepast. Bij de overige 30% ligt het struikelblok voor het merendeel bij het aantonen van de actuele regionale behoefte, bijvoorbeeld omdat de behoefte niet kan worden aangetoond, het onderzoek ontbreekt of gebrekkig is.

Kortom, de Ladder blijft bestaan, weliswaar in aangepaste vorm. Waarschijnlijk hebben we per 1 januari 2017 te maken met een frisse ladder. Ook de handreiking zal veranderen, waardoor meer duidelijkheid moet ontstaan. Maar ook de jurisprudentie geeft steeds meer inzicht in de manier waarop de Ladder moet worden toegepast. De gedachte achter de Ladder zal niet veranderen. Het is daarom erg zinvol om bij ruimtelijke ontwikkelingen te denken in de geest van dit instrument.