Filosofen agenderen de stad: De stad moet op zoek naar haar plaats

_Over de stad – nu, vroeger en morgen – wordt veel gezegd en geschreven. Initiatieven, rapporten en projecten buitelen over elkaar heen. We moeten smart, duurzaam, creatief, weerbaar, flexibel en vitaal. Om dit spervuur van feiten en meningen te kunnen verwerken en plaatsen, moeten we soms even afstand nemen. Ontwikkelingen vanuit een bredere blik bekijken, of een andere hoek. Niet bang zijn om vragen te stellen, in plaats van antwoorden te geven. De filosofie leent zich hier bij uitstek voor. Vanuit Agenda Stad zijn daarom vijf vooraanstaande auteurs gevraagd om een filosofisch essay over de ontwikkeling van onze steden. Wat vonden Socrates, Descartes en Nietsche van de stad? Welk effect heeft de filter bubble op ons stedelijk gedrag? Wat is Serenopolis en hoe komen we daar? Waarom is kunst onontbeerlijk om onze steden identiteit te geven?

Vragen naar aanleiding van essay

De modernisering van de wereld heeft een groeiende onthechting in de sociale en ruimtelijke betekenis te zien gegeven. Kan de stad als gebouwde omgeving een rol spelen in de ervaring van zin, zowel in het persoonlijk leven als binnen de gemeenschap? Hebben politiek en bestuur hier een eigen verantwoordelijkheid?
Wat is de verhouding tussen het culturele klimaat en de stedelijke economie?


De stad moet op zoek naar haar plaats


Jan-Hendrik Bakker, filosoof, auteur, docent en journalist

U kunt ‘De stad moet op zoek naar haar plaats’ ook downloaden als PDF

Wat is de overeenkomst tussen New York en Domburg? Inderdaad, beide plaatsen liggen aan zee, maar belangrijker nog, ze hebben beide een geschiedenis die daaraan is verbonden. De een is een miljoenenstad waar de Europese immigranten in de negentiende en begin twintigste eeuw voet aan land in de Nieuwe Wereld zetten, de ander is een slaperig badplaatsje in Zeeland met toch enige grandeur. De schilders Jan Toorop en Piet Mondriaan kwamen er graag. Mondriaan schilderde zowel het licht bij het Zeeuwse plaatsje als dat op Broadway in New York. En wat is de overeenkomst tussen een andere miljoenenstad als Dubai en, pakweg, Zoetermeer? Het zijn alle twee boomtowns, de een in een petrostaat, de ander als keurig geplande satellietstad van Den Haag. Maar beide missen voorlopig nog een in het oog springend cultuurgeschiedenis.

Zelfs al zullen in de toekomst in Nederland sommige steden krimpen, de verstedelijking zal ook in ons land steeds verder doorzetten. Verstedelijking is niet alleen een kwantitatief verschijnsel, maar ook een kwalitatief. Je woont in een stad als je je stedeling vóelt. En voor dat laatste zorgen de media wel; met het wereldnieuws, Facebook en de AEX-index op je iPhone is het dorpsleven verweg. De doorgaande verstedelijking zal mentaal niet te onderschatten gevolgen hebben. Liever dan termen als ‘vervreemding’ of ‘ontworteling’ gebruik ik daarvoor de term ontplaatsing. Eén van de effecten van de moderne vrijheid is dat binding aan de plaats waar we wonen en werken veel minder tot – voor sommige mensen – nihil geworden is. Ontplaatsing is een proces dat goeddeels in het hoofd gebeurt, want je hoeft er niet letterlijk een zwervend bestaan voor te leiden. Het is een tendens die, de huidige hang naar lokaal en regionaal ten spijt, de onvermijdelijke prijs is voor de modernisering die ons heeft losgemaakt uit de oude, vertrouwde verbanden.

Met de voortgaande verstedelijking van de wereld zal ook de mentale ontheemding toenemen, en daarmee de behoefte aan een plaats om te zijn. In de premoderne wereld bezaten mensen enkelvoudige, in beton gegoten identiteiten. Die betonnen identiteiten, verschaft door kerk en afkomst, zijn vernietigd, maar het verlangen ergens bij te horen is gebleven. Gesproken wordt nu over ‘veelvormige’ en lichte identiteiten, die bovendien meestal niet voor het hele leven gelden. Deze dynamische identiteit hangt sterk samen met ‘waar we zijn ’ en veel minder met ‘waar we vandaan komen’. Dat geldt al voor het belang dat we aan bepaalde vakantiebestemmingen hechten: ‘ik ben een echte francofiel’ of ’ik hou van de bergen’ vertellen iets over wie je bent of wilt zijn. Maar veel sterker dan het toeristische aspect is de dimensie van het wonen. We zijn waar we wonen (010 of 030!), in de dubbele betekenis van het werkwoord, zich ergens bevinden en iets of iemand zijn.

Meer dan doorgangsgebied

De stad functioneert objectief gesproken als neutraal doorgangsgebied; haar inwoners komen en gaan. Maar binnen die objectieve ruimte creëren mensen subjectieve microplekjes waar ze zich thuis voelen. Dat kan het eigen huis zijn, de voetbalkantine, het buurtcafé, het bedrijf waar iemand werkt, of een hangplek ergens in een parkje. Zo ligt over elke grote stad een netwerk van duizenden, tienduizenden of zelfs miljoenen met persoonlijke emoties geladen plekjes. Achter de stenen façade van de stad wemelt het van de persoonlijke beleving. Hoe al die persoonlijke emoties op één plek kunnen samenkomen, bijeengebracht als het ware in een bovenindividueel verband, zien we gebeuren als er een trottoir onder de bloemen en waxinelichtjes bedolven raakt na een schokkend misdrijf op die plek. Dan kunnen stenen spreken, en vertellen ze een verhaal dat gemeenschappelijk wordt beleefd.

De afgelopen decennia hebben stadsbestuurders vooral geprobeerd te verdienen aan het imago van hun stad. City-branding en city-marketing waren de sleutelwoorden. Als je het handig aanpakt als stadsbestuur kan dat miljoenen opleveren. Nu de grondprijzen zijn ingestort, is beeldvorming een alternatief geworden om het product stad toch nog aan de man te brengen. Maar hoe zit het ondertussen met haar bewoners? Hoe zit het met het veelgeprezen vestigingsklimaat, dat voor citymarketeers ook een uitgangspunt hoort te zijn maar dat waarschijnlijk wat achterop is geraakt bij hun liefde voor dagjesmensen, hoteleigenaars en evenementenbureaus? Hoe zit het met de stad als woonplaats? Als steeds meer mensen in steden zullen wonen en het moderne stedelijk levensgevoel zal blijven toenemen, zal de urgentie van die vraag alleen maar toenemen want in cyberspace alleen kunnen we niet wonen. De stad heeft een functie als hedendaags zingevend verband. Ze is onze common ground. Daarom is ‘place making’ de urgentie van elke toekomstige stad.

Drie ontwikkelingen

In het verleden zijn het voornamelijk schrijvers, cineasten, kunstenaars en muzikanten geweest die dat zingevend verband, begrepen op een niet-religieuze, moderne manier als place to be die bijdraagt aan een dynamische lichte identiteit, tot stand hebben gebracht – en wel buiten de invloed van urbanisten en bestuurders om en grotendeels zonder vooropgezette bedoelingen. De namen van Detroit, Parijs, New York, Praag, en talloze andere, grote en kleine steden zijn verbonden aan romans, muziek- en kunststijlen, films et cetera. Die ademen op hun beurt een levensgevoel dat deel is gaan uitmaken van het individuele bestaan van de mensen die er wonen. Een andere groep die altijd sterk heeft bijgedragen aan de identiteitversterkende functie van de stad zijn onderzoekers als journalisten, filosofen en historici. Beide groepen behoren traditioneel tot de alfa-sector, dat zich richt op zingevend onderzoek (onlangs nog vurig verdedigd door de invloedrijke filosofe Martha Nussbaum in Niet voor de winst), terwijl architecten, planologen en stadsociologen veel meer onder invloed staan van de harde economische en kwantitatieve benadering. (Alfa en bèta hoeven elkaar niet uit te sluiten overigens, de vraag is alleen hoe ze elkaar kunnen vinden. Dat is een politieke vraag in de meest letterlijke zin.) In dit stuk wil ik vooral laten zien hoe de alfasector van doorslaggevende invloed zou kunnen zijn op het punt van drie grote urbane ontwikkelingen.

  1. De individualisering van de samenleving zet door. Dat is niet alleen een kwestie van vergrijzing, ook jongeren kiezen voor, of komen ongewild terecht in, eenpersoonshuishoudens of eenoudergezinnen. In de nabije toekomst zal 40 tot 50 procent van de bevolking alleen wonen. Dat feit heeft consequenties voor de sociale cohesie in een stad. Zullen al die individuen straks hun strikt persoonlijke leven leiden, een soort Sex and the City, maar dan wat minder komisch en glamorous, of zijn er toch manieren waarop zij op een lichte en flexibele manier betrokken blijven bij hun woonplaats?

  2. Optimistische uitdragers van het neoliberalisme willen ons nog steeds doen geloven dat de economische crisis maar tijdelijk is. Straks is alle leed geleden als er weer economische groei optreedt en daarmee banengroei. Het eerste is geen zekerheid, het tweede lijkt al helemaal ongefundeerd. Veel mensen zullen in de toekomst van de arbeidsmarkt verdrongen worden door robotisering. Die groep – en het zal niet bij een paar duizend blijven – komt ten laste van de gemeenschap. Het is in de eerste plaats cruciaal dat die gemeenschap dan ook inderdaad ‘gevoeld’ wordt, in de tweede plaats dat die baanloze groep zichzelf, in een samenleving waar betaald werk als de hoogste zingeving van het leven geldt, niet als een nutteloze en door belastingbetalers gehate onderklasse gaat ervaren.

  3. De klimaatveranderingen maken het noodzakelijk voedselproductie en stad weer dichter bij elkaar te brengen. Ook veel meer openbaar en particulier (recreatief) groen of eigenlijk open grond over het algemeen zijn nodig om het stedelijke hitte- en overstromingseffect op te vangen waarmee stedelijke gebieden al te maken hebben en nog meer zullen krijgen in de toekomst. Daarnaast is duidelijk geworden dat handhaving of zelfs bevordering van de biodiversiteit steeds meer een taak voor steden begint te worden; de stad is de overlevingsplek, of safehaven, geworden voor veel meer dan het menselijk leven alleen. De stad is in toenemende mate ook het biotoop van planten en dieren nu de omringende gronden door intensieve landbouw eerder een ernstige bedreiging dan een stimulans voor de biodiversiteit zijn gebleken.


Verhaal en symbool

Om het hoofd te kunnen bieden aan de fragmentatie die de eerste twee ontwikkelingen te weeg zullen brengen in het broze weefsel van wat ik ‘stadsidentiteit’ noem, moet de stad in staat blijven een natuurlijk en min of meer herkenbaar thuis te bieden aan het individu dat buiten de structuur van familie en/of werk is komen te verkeren. De Duitse filosoof en antropoloog Ernst Cassirer (An Essay on Man, 1946) heeft de mens geschilderd als een symbolisch dier, een wezen dat zijn wereld alleen maar kan ervaren en interpreteren doormiddel van verhalen en mythen. Homo sapiens zal dat symboolwezen altijd blijven ook in zijn hoedanigheid van homo metropolitanus. De verbeelding van de stad in de moderne media is niets anders dan de voortzetting met andere middelen van de verbeelding van de leefwereld in de oude mythen.

Er moet op subtiele, niet autoritaire manier een web geweven worden dat de eenling verbindt met de geschiedenis en het imago van de stad. Zoiets kan niet met behulp van sociale en culturele programma’s van boven af even geregeld worden, zoals in de jaren zeventig van de vorige eeuw de heersende opvatting was, maar vraagt om een min of meer zelfstandig levendig cultureel klimaat in de stad. In deze tijd waarin bestaande culturele voorzieningen als bibliotheken, volksuniversiteiten, filmhuizen en muziekscholen wegbezuinigd worden is het moeilijk voorstelbaar dat er juist op dit gebied een herstel komt. En toch zal het moeten.

De uitdaging voor de nabije toekomst wordt hoe er weer een laagdrempelige culturele infrastructuur in steden kan groeien. Ik heb er zelf geen antwoord op, maar zie ondertussen wel hoe in mijn eigen woonplaats de plaatselijke schouwburg, het zwembad, de kinderboerderij en kleine concertpodia één voor éen moeten sluiten. Van de overheid valt in financieel opzicht in elk geval weinig tot niets meer te verwachten. Het zal moeten komen van particulieren en kleine groepen, van initiatieven op wijkniveau die op den duur succesvol blijken en doorstralen naar de hele stad. Het wachten is op een nieuwe creative class, maar nu niet een die de stedelijke economie aanjaagt zoals Richard Florida beschreef, maar één die op microniveau , grotendeels buiten de economie om, de fundamenten legt voor hernieuwde culturele bedrijvigheid waarvan de sfeer in steden zo afhankelijk is. Politici en bestuurders zullen zich moeten beramen op hun rol daarin. Kunnen zij niet alleen faciliteren maar ook verbinden?

Duidelijk is in elk geval dat van de ooit zo welig tierende adviesbureautjes, platforms en sociaal-culturele knooppunten of hoe ze ook mochten heten, niet zo veel te verwachten meer valt. Dat zijn leeggezogen instituten geworden met chronisch geldtekort. Het moet komen van bevlogen burgers, zoals bijvoorbeeld Floor Ziegler die van een mislukt en onvoltooid stedenbouwkundig project met het Noorderpark in Amsterdam van dat park het culturele middelpunt maakte van de buurt (www.dezwijger.nl/80438/nl/stadbericht-146-floor-ziegler-verbindt-mensen).

Grote kans

Wat betreft het derde punt, hier ligt een grote kans. Het spreekt voor zich dat de ecologische, landbouwkundige en waterbouwkundige kennis die nodig is voor de transitie van de huidige stad naar die van een groenere en duurzamere toekomst voornamelijk leunt op techniek en exacte wetenschap. Naast de bèta-sector kan echter de alfa-sector in dit geval ook veel betekenen, omdat hier de zingeving en het maatschappelijk debat vandaan moet komen. Bij techniek gaat het om de inzet en toepassing, niet om zuiver wetenschappelijke kennis. Iemand moet op het idee komen om oude fabrieksruimten en leegstaande kantoren om te vormen voor kleinschalige stadslandbouw, zoals nu overal in de grote steden al gebeurt. Iemand moet die ideeën ook op het spoor komen en beschrijven voor een groot publiek, en dat op een pakkende manier.

Het boek The Hungry City (www.hungrycitybook.co.uk) dat de relatie tussen stad en voedsel op de kaart zette, werd geschreven door een architecte, Carolyn Steel, die veel en gedreven historisch onderzoek deed naar de relatie stad en platteland en uiteindelijk daarmee het politieke kader schiep waarbinnen haar inzichten vruchtbaar werden. Het was in Den Haag een stedelijk kunstenaarsplatform dat in samenwerking met de Rotterdamse architect Winy Maas een mentaal laboratorium opzette over stad en voedselproductie. En tenslotte, het begrip ‘antropoceen’ (het tijdperk waarin techniek en natuur geheel vervlochten zijn geraakt) werd op de recente Architectuur Biënnale van Rotterdam (2014)door de stedelijke museumwereld uitgewerkt en gepresenteerd. Drie voorbeelden hoe ook op het terrein van de natuur- en milieu kunst en wetenschap hand in hand gaan.

Dynamisch

De identiteit van een stad moet dynamisch zijn of ze is niet. Dynamisch wil zeggen dat ze levend is, pluraal, uit verschillende componenten bestaat en dat die ten opzichte van elkaar kunnen wisselen in sterkte en betekenis. Den Haag is de weduwe van Indië, ook de bakermat van de Nederbeat en centrum van de politieke geschiedenis, maar de groeiende kloof tussen de gegoede klasse en een in meerderheid snel toenemende, goeddeels allochtone lage klasse die zijn loyaliteiten elders heeft verandert die identiteit. Hoe dat proces verloopt is niet zomaar een objectief verschijnsel, iets wat gebeurt los van de waarneming om. Er moeten verhalen verteld worden om dat openbaar te maken. Op die manier worden de bewegende delen van een stadsidentiteit met elkaar in verband gebracht en kan er is iets van een collectieve identiteit ervaren worden. Dit is mijn stad, hoe gecompliceerd ook.

Het actief vormgeven aan stadsidentiteiten is maar zeer ten dele het werk van architecten, een grote inbreng komt van de media, de kunstsector, filosofen en historici. De Nederlandse essayist Pieter Hoexma schreef hoe het leven in een Purmerendse nieuwbouwwijk niet onder hoeft te doen voor dat in een drukke stadswijk. Daarmee reikt hij bewoners een manier van kijken aan die ook hun eigen woonplek meer karakter kan geven. De film De Marathon heeft voor het ‘Rotterdam-gevoel ’ van grote groepen inwoners misschien meer betekend dan een overwinning van Feyenoord. Iconische bouwwerken als de Euromast, Hotel New York of de Erasmusbrug zijn uiteraard gezichtsbepalend, maar hoe het voelt om in die stad te wonen, welk type bevolking je er tegenkomt en hoe het licht op de Maas eruit ziet op een heldere winterdag wanneer de zon laag staat, zijn subjectieve ervaringen die dankzij schilders, fotografen, romanschrijvers en cineasten gedeeld kunnen worden. Daar komt architect noch pr-bureau aan te pas.

Net als in het verleden kan ook in de toekomst het leven in de stad voor de subjectieve versplintering behoed worden door de verbeelding van de kunst die dat leven immers in een breder geheel plaatst en haar visie presenteert in boeken, tentoonstellingen, films, reportages, theaters, liedjes, gedichten, youtube-filmpjes, et cetera. Afdwingen kan men dat proces niet, maar stimuleren wel. Daarom moet elk stadsbestuur zijn alfa-sector koesteren als kwartiermakers van de geest, plaatsmakers in de stad die steeds minder een thuis is geworden.

Over de auteur

Jan-Hendrik Bakker studeerde filosofie, psychologie en literatuur in Leiden en Rotterdam. Hij is auteur, docent en journalist. In 1999 is hij gepromoveerd in de wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Jan-Hendrik Bakker is auteur van Welkom in Megapolis (2008) en Grond (2011).

Over Agenda Stad

Agenda Stad is een platform voor steden, stedelijke partners, onderzoeksinstellingen, praktijkmensen, enthousiaste stedelingen en het Rijk met o.a. de verbinding naar de Europese Urban Agenda. Hiermee wordt Agenda Stad niet alleen een agenda voor de stad, maar ook een agenda van de stad. Agenda Stad is geïnitieerd en wordt gefinancierd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en het Ministerie van Economische Zaken. Platform31 fungeert als kernpartner van Agenda Stad en voert in die hoedanigheid diverse deelprojecten uit.

zie platform31.nl/agendastad

Meer informatie

Arjan Raatgever – projectleider Ruimte en Economie

06 57 94 39 38 – arjan.raatgever@platform31.nl
nl.linkedin.com/in/arjanraatgever