Filosofen agenderen de stad: Het stedenbouwend dier

Over de stad – nu, vroeger en morgen – wordt veel gezegd en geschreven. Initiatieven, rapporten en projecten buitelen over elkaar heen. We moeten smart, duurzaam, creatief, weerbaar, flexibel en vitaal. Om dit spervuur van feiten en meningen te kunnen verwerken en plaatsen, moeten we soms even afstand nemen. Ontwikkelingen vanuit een bredere blik bekijken, of een andere hoek. Niet bang zijn om vragen te stellen, in plaats van antwoorden te geven. De filosofie leent zich hier bij uitstek voor. Vanuit Agenda Stad zijn daarom vijf vooraanstaande auteurs gevraagd om een filosofisch essay over de ontwikkeling van onze steden. Wat vonden Socrates, Descartes en Nietsche van de stad? Welk effect heeft de filter bubble op ons stedelijk gedrag? Wat is Serenopolis en hoe komen we daar? Waarom is kunst onontbeerlijk om onze steden identiteit te geven?


Het stedenbouwend dier


Daan Roovers, hoofdredacteur Filosofie Magazine

U kunt ‘Het stedenbouwend dier’ ook downloaden als PDF

‘De mens is een stedenbouwend dier’, stelde de Duitse cultuurfilosoof Oswald Spengler. Door in grote groepen te gaan leven en steden te bouwen heeft de mens zich meer en meer losgemaakt van de natuur. Dit heeft een enorme explosie aan creativiteit en innovatie teweeggebracht die al meer dan 5000 jaar geleden begon.

De eerste steden ontstonden in het vruchtbare gebied tussen de Eufraat en de Tigris, het huidige Irak, het gebied waar de Soemeriërs woonden. In de eerste steden zoals Ur en Uruk ontstonden samenlevingen met een voor die tijd spectaculaire omvang (tot wel 100.000 mensen). Het zijn deze steden waarin een spectaculair aantal nieuwe ontdekkingen werd gedaan. De uitvinding van het wiel, die van het schrift, de strijdwagen, de eerste klok, de eerste school, het eerste apothekersboek, de eerste liefdesverzen – ze kwamen naar verluidt allemaal voort uit het gebied rondom Ur. Door de intensieve manier van samenleven in een grote groep mensen nam de beschaving een enorme vlucht, en ontstond er ook een nieuwe manier van samenwerken: beroepsspecialisatie, wetgeving en technologie waren het gevolg.

Waarom de steden precies toen tot ontwikkeling kwamen is niet precies duidelijk – veiligheid en klimaatverandering worden vaak genoemd – in elk geval is er vanaf dat moment een ontwikkeling richting verstedelijking begonnen die nooit meer is opgehouden, en alleen nog maar is versterkt. De paar kleine lokale stadskernen van toen zijn uitgegroeid tot een grote vernetwerkte wereldomvattend stadssamenleving – en in de 21 eeuw leeft meer dan de helft van de mensen wereldwijd in een stad. De geschiedenis van de mensheid is een geschiedenis van de stadsmens, meent Spengler dan ook

De stad is natuurlijk niet zozeer een dichtbevolkte verzameling van gebouwen, de stad is in eerste instantie een ontmoetingsplaats. Stadsmens Socrates (Athene) voelde zich dan ook niet thuis in de natuur: ‘Velden en bomen kunnen ons niets leren, maar de mensen in een stad wel’. Veel filosofen zullen het hem nazeggen, omdat – zeker tot aan de negentiende eeuw, dus tot aan de tijd vóór de Romantiek – veel grote denkers hun leven doorbrachten in de stad. Vanzelfsprekend natuurlijk, omdat daar de universiteiten zaten en de drukkers, en je er makkelijk contacten kon onderhouden met andere geleerden. Maar opvallend genoeg óók vanwege de mogelijkheid om ongestoord te kunnen werken in de stad. Decartes, die op zoek was naar rust – hij was tijdens zijn leven al erg beroemd en zat niet erg te wachten op al te veel aanloop van collega-filosofen – kwam na vele omzwervingen terecht in Amsterdam. ‘Iedereen is hier zo druk met de handel dat ik er mijn hele leven zou kunnen verblijven zonder opgemerkt te worden.’ Juist de chaos, de woekering en de betrekkelijke anonimiteit brachten de rust en concentratie die hij zocht.

Maar er is natuurlijk niet alleen lof voor de stad. Zeker vanaf de negentiende eeuw, als de Romantiek kritiek uitoefent op het tijdperk van de Verlichting, de tijd van de wetenschappelijke vooruitgang en de industrialisatie wordt de stad een synoniem voor decadentie, vervreemding en verval. Een goed voorbeeld hiervan is Friedrich Nietzsche. Nietzsche, die zelf om na te denken het liefst door de bergen wandelde, laat in Aldus sprak Zarathustra zijn Perzische profeet Zarathustra een grote stad passeren. Een nar die bij de poort van de stad staat roept: ‘O Zarathustra, dit is de poort van de grote stad: hier heb je niks te zoeken en alles te verliezen (..) Spuug op deze stad van kleingeestige mensen en keer om. Spuug op de stad, die de vuilnisbelt is waar alles dat gehavend, verdacht, geil en duister is… etterend op een hoop ligt. Spuug op de grote stad en keer om.’ Ook Martin Heidegger (20e eeuw) keert zich af van de stad. Na zijn academische carrière trekt hij zich terug in een hut en beperkt zich zoveel mogelijk tot het landleven: ‘Ik luister naar wat de bergen, de wouden en de boerenhoeven zeggen.’ De stad staat model voor verval en voor inauthenticiteit. De natuur staat voor rust, contemplatie en oorspronkelijkheid.

Maar het is niet de natuur die ons bijzonder maakt, het is de cultuur die ons onderscheidt van het dier, en de mens uniek maakt, meenden de Franse existentialisten. Sartre, De Beauvoir, Camus floreerden dan ook in het mondaine stadsleven van de tweede helft van de twintigste eeuw. Voor echt nieuwe opvattingen over de verhouding tussen stad en platteland moeten we echter naar het begin van de 21e eeuw waarin Zygmunt Bauman en Peter Sloterdijk (beide kleine-stadsbewoners: Leeds, resp Karlsruhe) proberen te doordenken wat het betekent om in een postmoderne stad te leven.

Een opvallende observatie van Bauman gaat over veiligheid. Van oudsher gingen mensen in steden wonen om veiligheidsredenen. Ze kropen bij elkaar, bouwden een stadsmuur en een slotgracht en organiseerden zo een gezamenlijke verdediging tegen de vijand van buiten. Tegenwoordig staan steden juist bekend vanwege hun ónveiligheid. In plaats van schuilplaatsen tegen het gevaar zijn steden getransformeerd naar de bronnen ervan en dat maakt dat de roep naar veilige en afsluitbare plekken in de stad toeneemt. Baumans dochter Irena Bauman is architecte en ziet dit terug in de moderne stadsarchitectuur. ‘Gated communities zijn wereldwijd in opkomst’, zegt ze ‘Projectontwikkelaars weten dat het beter verkoopt als het afsluitbaar is. Ze spelen in op een angst die mensen hebben.’ Dat geldt ook voor de openbare ruimte. ‘Die wordt steeds meer verkocht aan private partijen. Hier in Leeds wordt de ruimte voor de markt, waar veel armere mensen naartoe gaan, kleiner, ten behoeve van een overdekt winkelcentrum. Afsluitbaar en in private handen, compleet met uitsmijters en panic buttons waarmee winkeliers elkaar kunnen waarschuwen voor onraad.’

Leven in een stedelijke gemeenschap is leven in de ‘vloeibare moderniteit,’ stelt Zygmunt Bauman, waarin traditionele verbanden tussen mensen, en traditionele structuren niet meer vastliggen, maar ‘vloeibaar’ zijn geworden. Elke samenhang is tijdelijk, vrijwillig, vluchtig en eenvoudig te verbreken. Hij ontwikkelt het begrip ‘cloackroom community’s’: gelegenheidsgezelschappen voor de duur van een voorstelling. Kenmerkend voor die gezelschappen volgens Bauman is dat de gelegenheid – de voorstelling, het spektakel – deze mensen uit totaal verschillende hoeken bijeen brengt en nadien weer restloos laat opgaan in de menigte. Tijdens de voorstelling worden hun aandacht, hun bewondering en hun lach even gelijkgezet. Ze zijn heel even verenigd in als publiek; maar ze verbinden zich niet op een andere manier elkaar. Ze zijn alleen maar een community vanwege die voorstelling. Ze hebben die voorstelling nodig.

Peter Sloterdijk (Karlsruhe, 1947) beschrijft onze samenleving als een wereld van schuim. Elk individu begeeft zich in een eigen kleine cel, die via talloze, vrij fragiele verbanden samenhangt met andere kleine cellen. In het derde deel van zijn Sferen-trilogie Schuim schrijft hij: ‘Eenieder is een eiland (..) eilanders zijn gewoonlijk slecht te gebruiken voor het creëren van gehelen. Maar hoe het ook met het isolement van de bij zichzelf ingerichte eilanders gesteld mag zijn, het zijn toch steeds gecoïliseerde, op een netwerk aangesloten eilanden, die kortstondig of chronisch middelgrote of grote structuren met buureilanden moeten vormen – een nationale vergadering, een club, een vrijmetselaarsloge, een personeelsbijeenkomst, een aandeelhoudersvergadering, een publiek in een concertzaal, een buurt in een voorstad, een schoolklas, een religieuze gemeente, een verzameling automobilisten in de file, een congres van belastingbetalers. Als we deze ensembles , zowel in hun episodische samenballingen als in hun duurzame symbiosen, als schuimstructuren omschrijven, dan doen we dat ook om een uitspraak te doen over de relatieve dichtheid van gecoïliseerde levensconglomeraten of bondgenootschappen – een dichtheid die altijd groter zal zijn dan die van veel archipels (die in alle andere gevallen een treffende metafoor zijn voor geïsoleerde veelheden) maar kleiner dan die van massa’s.’

Het relatieve isolement van een dergelijke ‘schuimverband’ heeft zeker ook voordelen. Het is zelfs een bijzondere prestatie, zo vertelt Sloterdijk in een lezing: ‘Typerend voor de homo sapiens was dat hij in relatief kleine, hechte groepen leefde, met nauwe onderlinge banden. Zijn belangrijkste kenmerk was empathie, de unieke eigenschap je in staat stelt om in de ziel van een ander te blikken – niet met je ogen maar met wat psychologen tegenwoordig invoelingsvermogen noemen.’ Wij waren ooit gebouwd om te leven in kleine groepen, ter grootte van een zeer uitgebreid familieverband, pakweg zo’n 150 mensen. Het feit dat we in steden zijn gaan wonen stelt nieuwe eisen aan de manier waarop we in de wereld staan. Zelfs aan onze instinctmatige aandriften, die zich in de loop van duizenden jaren geleidelijk aanpassen. Sloterdijk vervolgt: ‘Een goede vriendin van mij vertelde me dat ze eens een ongelukkige liefdesgeschiedenis had in Parijs. Haar toenmalige vriend had haar verlaten en zij liep huilend door de straten. Ze zei: het geweldige van de Fransen was dat niemand mij probeerde te troosten. Zij hielden dus hun empathie binnen, ook als ze best konden bedenken dat er iets aan de hand was met die vrouw die daar met betraande wangen door de straten liep. Dat is een hoogculturele prestatie: dat je je empathie voor je houdt – tot je aan de deur hebt geklopt en een heel duidelijk “kom binnen!” hebt gehoord.’ Om te kunnen overleven in een steeds sterkere anonimiteit transformeert oorspronkelijk natuurlijk gedrag in een nieuwe, ‘tweede natuur’, die veel meer is toegesneden op de levensvormen van de 21e eeuw. Het onderlinge verband wordt losser.

De ‘geschiedenis van de stadsmens’, die Spengler al beschreef, is een geschiedenis die beweegt tussen chaos en rust, tussen het ontmoeten van anderen en de vrijheid van de anonimiteit. Een geschiedenis van een haat-liefdeverhouding t.a.v. grote verstedelijkte gebieden. De stad staat model voor de beschaving en heeft tal van technieken ontwikkeld om deze beschaving over te brengen: cultuur en politiek. Hoe staat het leven in de stad er nu, in de 21e eeuw voor?

De mens is volgens de Griekse filosoof Aristoteles uiteindelijk een zoön politikon, een politiek dier. Het woord ‘poltikon’ is afgeleid van polis, wat stad betekent. Dat de mens een politiek dier is betekent volgens Aristoteles niet meer of minder dan dat de mens tot samenleven gedoemd is. Hij is niet zomaar een kuddedier, zoals de meeste dieren, noch is hij solitair en zichzelf genoeg, zoals de goden dat zijn. Mensen hebben elkaar altijd opgezocht en zullen altijd in groepen leven. Maar hoe leefbaar is de stad, 5000 jaar na haar ontstaan? Maar hoe beschaafd is de beschaving? Heeft de betrekkelijke anonimiteit zich inmiddels niet ontwikkeld tot een grote onverschilligheid?

De beschermende waarde van het ‘schuim’, het postmoderne samenbindende verband, zoals Sloterdijk dat beschrijft, is natuurlijk heel klein – het spat snel uiteen. De vraag waar denkers als Zygmunt Bauman en Peter Sloterdijk ons mee achter laten zijn de volgende. Is het postmoderne schuimige of een vloeibare verband sterk genoeg als weefsel voor de moderne stedelijke samenleving? Hoe organiseer je een hechter weefsel?

De tweede vraag betreft het thema veiligheid in de moderne stad. Hoe kunnen we omgaan met een gevoel van risico en onveiligheid waarbij de ‘vijand’ en het gevaar eerder van binnen als van buiten lijken te komen? Is er, zonder te vluchten in de schijnzekerheid van de gated communities, een effectieve manier om deze ‘vloeibare onzekerheidsgevoelens’ te kanaliseren?

Over de auteur

Daan Roovers is hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Zij schrijft en spreekt onder andere over onderwijs, opvoeding, gezondheidszorg en feminisme. Ze is debatvoorzitter in De Rode Hoed, columnist en gesprekleider in De Nieuwe Liefde. Ze doceert publieksfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam, geeft regelmatig les aan de Internationale School voor Wijsbegeerte.

Over Agenda Stad

Agenda Stad is een platform voor steden, stedelijke partners, onderzoeksinstellingen, praktijkmensen, enthousiaste stedelingen en het Rijk met o.a. de verbinding naar de Europese Urban Agenda. Hiermee wordt Agenda Stad niet alleen een agenda voor de stad, maar ook een agenda van de stad. Agenda Stad is geïnitieerd en wordt gefinancierd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en het Ministerie van Economische Zaken. Platform31 fungeert als kernpartner van Agenda Stad en voert in die hoedanigheid diverse deelprojecten uit.

zie platform31.nl/agendastad

Meer informatie

Arjan Raatgever – projectleider Ruimte en Economie

06 57 94 39 38 – arjan.raatgever@platform31.nl
nl.linkedin.com/in/arjanraatgever