De wensen van René Paas

Parallel aan de lancering van het rapport ‘Schulden in de knel’ van Platform31, nam de Tweede Kamer op 5 april 2016 een pamflet over schuldhulpverlening in ontvangst van Divosa, VNG, NVVK en MOgroep. Het was één van de laatste officiële handelingen van René Paas als voorzitter van Divosa en de onlangs beëdigde Commissaris van de Koning in Groningen. Een interview over zijn nalatenschap en zijn ambities voor Groningen.

Door: Saskia Hinssen, Platform31

Na 7 jaar neemt u afscheid als voorzitter van Divosa. Wat zijn uw persoonlijke highlights?

“Ik ben er trots op dat Divosa van serieuze betekenis was bij de totstandkoming van de Participatiewet. Dat was een poging tot vereenvoudiging, in plaats van drie regelingen – Wajong, Wsw en bijstand – wilden we één regeling voor mensen met een arbeidsbeperking. Tegelijkertijd realiseer ik me onmiddellijk dat we er nog lang niet zijn. De praktijk is veel minder mooi geworden dan in onze idealen. Het is politieke en sociale partners gelukt een nieuw doolhof te creëren. Werkgevers worden gek van onze bureaucratie en dreigen af te haken. En dat terwijl we ze keihard nodig hebben: zonder hen geen 125.000 banen voor mensen die het minimumloon niet kunnen verdienen. De strijd tegen die complexiteit moeten we voorlopig dus voortzetten. Daarnaast ben ik er trots op dat onze leden steeds actiever werken aan professionalisering. Samen stimuleren het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Divosa de professionalisering. Steeds meer gemeentelijke professionals stellen zich de vraag ‘weet ik zeker dat ik het goede doe voor de meneer of mevrouw die voor me zit en waar baseer ik dat eigenlijk op’. Misschien nog niet in elke uithoek van Nederland, maar we boeken vooruitgang.”

Er ligt voor gemeenten een grote opgave op het gebied van werk en inkomen en schulden. Diverse organisaties en kennisinstellingen houden zich hiermee bezig. Wat is er nodig om de decentralisaties echt van de grond te krijgen?

“Vernieuwing in het sociaal domein is heel hard nodig. Anders gaat het gemeenten niet lukken om meer en betere ondersteuning te leveren tegen veel lagere kosten. Ter illustratie: vanaf 2009 steeg het aantal mensen in de bijstand met 50 procent naar 450.000. Toch daalde het participatiebudget sindsdien van 1,9 miljard tot minder dan 600 miljoen. In de zorg zien we vergelijkbare voorbeelden. Voor de opgave voor gemeenten bestaan geen pasklare oplossingen. Daarom ben ik ook zo blij met het kennisprogramma Vakkundig aan het werk. Dat biedt wetenschappers en gemeenten de gelegenheid samen antwoorden te vinden op de vragen waarmee professionals worstelen. Dat geeft een enorme impuls aan professionals in het sociaal domein.

Met andere woorden: decentraliseren vergt experimenteren en tijd. En ja, dan gaat er ook weleens wat mis, net zoals dat vroeger bij het Rijk gebeurde. Daar leer je van en de goede ervaringen wissel je met elkaar uit. Dat hoort bij vernieuwen. Maar ook dat politici en professionals oplossingen vooral beoordelen op effectiviteit. Een oplossing is pas de juiste als die voor die ene burger het verschil maakt tussen langs de kant staan of meedoen aan de samenleving. De ene burger is gebaat bij een strenge aanpak, de ander bij persoonlijke aandacht. One size fits all, bestaat niet in het sociaal domein. Daarom is een professionele sector gebaat bij een gezondere verhouding tussen politici en professionals. Politici doen zichzelf een plezier wanneer ze meer oog hebben voor de effectiviteit van een generieke beleidsmaatregel en het advies van de professionals vaker ter harte nemen. Net als bij artsen: geen politicus die erover peinst huisartsen een generiek behandelplan voor longontsteking op te leggen. De arts kiest voor de behandeling die past bij de kwaal van de patiënt. Dat is zijn vak. Waarschijnlijk waren een aantal van de WWB-maatregelen er dan nooit gekomen.”

Namens Divosa, VNG, MO-groep en NVVK overhandigde u een petitie over schuldhulpverlening aan de staatsecretaris. Wat is uw belangrijkste boodschap op dit thema voor uw opvolger?

“Onze boodschap aan de Tweede Kamer is eenvoudig: help ons om schulden te voorkomen, sneller te signaleren en effectiever op te lossen. De Kamerleden die we spraken waren opgetogen over onze voorstellen. Dat geeft hoop. Wat we de Kamer vragen is overigens niet eens zo spectaculair. Voor veel mensen is het bijvoorbeeld nog altijd te makkelijk om te lenen. Leer daarom kinderen al op school budgetteren. Verder vragen gemeenten aan de Kamer allerlei belemmeringen weg te wegnemen en het kabinet te wijzen op zijn verantwoordelijkheid. Het is dringend noodzakelijk dat de rijksoverheid zich gaat opstellen als een fatsoenlijke schuldeiser. Terecht dat het Rijk niet accepteert dat burgers zich verschuilen achter de complexiteit van regels, maar ze voert complexiteit zelf wél aan als argument om zich niet aan de wet te houden. Daarover verbaas ik me. Dat de regels voor beschermingsbewind eenvoudiger moeten, daar zijn we het over eens. Je aan de bestaande regels houden, daar kun je vandaag nog mee beginnen.”

Een andere belemmering is dat de Belastingdienst, CJIB en andere overheidsorganisaties volgens de wet een streepje voor hebben bij incasso. Bronheffing, verrekening met toeslagen en de weigering om schulden deels kwijt te schelden zelfs als de situatie uitzichtloos is, veroorzaken onbeschrijfelijk leed. Diepe ellende voor de mensen zelf en voor de gemeente die wordt gedwongen hoge kosten te maken om mensen weer een beetje op de rit te krijgen. Vrijwel altijd zijn de kosten hoger dan de openstaande schuld. De samenleving betaalt zo de hogere prijs van niet-effectief rijksbeleid. Schulden kennen daardoor enkel verliezers.

Het klopt dat er ook bij gemeenten nog veel te verbeteren valt aan schuldhulpverlening. Daar zijn gemeenten hartstikke druk mee bezig, omdat ze zich realiseren dat zij de ellende van schulden en armoede moeten opvangen en bekostigen. Afgelopen vrijdag lieten Arnhem, Leeuwarden en Zaanstad bij Divosa aan vijftig collega’s zien hoeveel energie ze steken schuldhulp en welke verbeteringen dat oplevert. En zij zijn niet de enigen. Wat ik daar zag, zowel de voorbeelden als de gretigheid van collega’s om de lessen in hun eigen gemeente in de praktijk te brengen, sterkt me in de overtuiging dat het bij gemeenten goed gaat komen.”

U studeerde bestuurswetenschappen in Groningen en u was er wethouder. Nu bent u benoemd tot Commissaris van de Koning. Provinciale Staten zien u als een verbinder en een betrokken persoon met een warm hart voor Groningen en de Groningers. Hoe pakt u zaken als de aardbevingsproblematiek aan?

“Als ik al die voortreffelijke eigenschappen zou bezitten, dan zou aan de basis daarvan staan dat ik goed kan luisteren. In mijn nieuwe functie zou ik daarom graag van specialisten horen hoe zij aankijken tegen zaken als de aardbevingsproblematiek. Het getuigt naar mijn idee van bestuurlijk verstand als ik goed gebruik zou maken van de kennis die al in de provincie aanwezig is op dat dossier. Daarnaast zie ik de aardbevingsproblematiek als nationaal probleem waarbij veiligheid voorop staat. Gelden er voor alle risico’s in Nederland dezelfde veiligheidsnormen? Zijn die voor aardgaswinning hetzelfde als voor dijkdoorbraken of verkeersongelukken? Bovendien: als één bedrijf schade veroorzaakt aan de bezittingen van honderdduizenden mensen, dan is het wat mij betreft logisch dat ze dit royaal vergoedt en zo snel mogelijk. Ook vind ik het onlogisch dat er één provincie al generaties lang de ongemakken van aardgaswinning incasseert, terwijl de Nederlandse samenleving als geheel van profiteert. Het pijnlijke is dat in Groningen het gevoel bestaat dat juist op deze punten wordt gemarchandeerd. Vooral het aspect veiligheid en het uitkeren van schadevergoedingen zou zonder aarzeling moeten worden gerealiseerd. Dat hoort geen punt van discussie te zijn. Als nieuwe Commissaris van de Koning is het mijn taak dit probleem zichtbaar te maken en te houden, zolang het niet is opgelost.”

U staat bekend als man van de vergezichten. Wat is uw wens voor Groningen?

“Het is niet voor niets dat ik dol ben op Groningen. Er heerst een ongekende kwaliteit van leven. Dat gaat niet alleen over het landschappelijk schoon, ook over de mensen die verknocht zijn aan de plek waar ze wonen. Het sociaal kapitaal onder de Groningers is groot. Er zijn veel voorbeelden van dorpen waar de bewoners er samen de schouders onder zetten op momenten dat het moeilijk werd. Mijn grootste ambitie is dat we die kwaliteit behouden en versterken waar dat kan. Kansrijk zijn de stad Groningen en de industrie rond de Eemshaven en Delfzijl. Er zijn ook gebieden, bijvoorbeeld rond de Veenkolonie, waar een traditie bestaat van een hoge werkloosheid en waar de SW-bedrijven de grootste werkgever zijn in de regio. In dat licht hoop ik dat we die hoge werkloosheidscijfers kunnen verlagen tot minimaal het landelijk gemiddelde. Als wethouder in Groningen en later als voorzitter van CNV en Divosa voelde ik me altijd al betrokken bij het bedenken van oplossingen voor mensen die het op eigen kracht niet redden. Wat daarin helpt is de veerkracht van de Groningers zelf. Die moeten we de komende jaren maar eens volop benutten.”