Burgers hebben hulp nodig bij het zelf doen

Burgers moeten heel veel zelf gaan doen en velen kunnen dat ook. Toch zijn er groepen die behoefte hebben aan intelligente vormen van niet-paternalistische ondersteuning. Dat gaat niet zonder een professionele helper. Het is tijd om de methodische traditie serieus te nemen.

Radboud Engbersen, Peter Rensen, 6 januari 2015

‘Zelfredzaamheid’ en ‘zelfzorg’ zijn de gedroomde richtinggevende kaders van de nationale en lokale beleidselites bij het vormgeven van de participatiesamenleving. Burgers moeten niet alleen meer zelf gaan zorgen (voor hun familie, vrienden, directe leefomgeving), maar kunnen dat ook, is hun vurige overtuiging. Deze overtuiging vindt steun in de geschiedenis van de sociale professies. Mensen kunnen heel veel zelf.

Ze hebben daarbij alleen – hoe paradoxaal dat ook klinkt – de steun van een helper nodig. In de woorden van Maria Montessori: ‘help mij het zelf te doen’. Dit adagium is dezer dagen omstreden op plaatsen waar de doe-het-zelf-samenleving wordt omarmd. De uitdrukking richt de aandacht niet alleen op ‘het zelf doen’ – dat is helemaal prima – maar mede op de persoon van ‘de helper’. De invalshoek is immers dat mensen heel veel zelf kunnen, maar dat je ze daarbij wel moet helpen. Helpen? Een helper? Een professionele helper? Burgers willen en kunnen toch alles zelf? En dan is daar nog de kritiek op het werk van de professionele helper: z’n beroepsinhoud is flinterdun (kapper, kastelein of ‘best person’ kunnen het ook), hij zou het vermogen van mensen om problemen zelf op te lossen verzwakken, z’n eigen werk creëren en zich verschansen in spreekuren en loketten. Daarnaast is er kritiek op de organisatie van het helpen: te ingewikkeld, te versnipperd, te bureaucratisch, te afstandelijk, te tijdelijk: kortom: niet effectief.

Nog niet zo heel lang geleden is een felle strijd gevoerd om het helpen uit handen te nemen van vrijwilligers en het meer bij door de overheid gefinancierde beroepskrachten te leggen. In de bundel Helpen als ambacht (1951) is die geschiedenis beschreven. ‘Helpen is zo oud als de wereld’ staat er, maar pas met de opkomst van de verzorgingsstaat groeit het helpen uit tot een beroep: liefdewerk wordt een vak. Marie Kamphuis (1907-2004) komen we in de bundel tegen als een groot voorvechter van het professionaliseren van het helpen, in het bijzonder van de individuele hulpverlening (casework). Zij was allergisch voor mensen die de heilige drie-eenheid intuïtie, ervaring en improvisatietalent verheerlijkten en wilde het helpen onder de discipline van de methode brengen.

Nu wordt de klok dus weer teruggezet met de deprofessionalisering van delen van de sociale sector. Burgers kunnen immers heel veel zaken zelf; er wordt afstand genomen van vanzelfsprekende vormen van professionele hulp en steun en oude partijen, zoals de kerken en de filantropische sector, manifesteren zich met nieuwe kracht.

Burgers helpen zelf hun problemen op te lossen vereist vakmanschap

De kritiek op de helpende professies draait in de kern om het aan banden leggen van paternalistische hulpverlening en het terugdringen van de macht van professionele helpers. Het is veel meer aan de mensen zelf, de professionele helper krijgt een ondersteunende rol. De in de eerste lijn opererende nieuwe integrale of sociale wijkteams zijn een goed voorbeeld. Hun werk draait naast individuele hulpverlening (casework) om vormen van community organization – de teamleden moeten immers een scherp oog hebben voor te mobiliseren hulptroepen en -bronnen rond de gezinnen en personen die ze helpen. Dit vraagt om vakmanschap, dat onder andere tot uiting komt door te werken ‘in het raam van de methode’ (Marie Kamphuis). Juist de dienstbare, terughoudende opstelling vanuit het principe ‘help mij het zelf te doen’, vraagt om slimme, intelligente en soms zeer intensieve vormen van niet-paternalistische ondersteuning. Of, anders gezegd: het betekent hard werken voor professionals om mensen zoveel mogelijk zelf te laten doen.

Onmisbare professionele helper van oudsher: de opbouwwerker

‘Help mij het zelf te doen’ is van oudsher een van de centrale principes in de community organization of ‘samenlevingsopbouw’. Methoden die door opbouwwerkers in de jaren veertig en vijftig in Amerika zijn ontwikkeld, zijn actueler dan ooit nu burgers moeten worden uitgedaagd om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun naasten en hun omgeving. De ook in Nederland bekende methode Asset-Based Community Development (ABCD) is daarvan een voorbeeld. Samenlevingsopbouw gaat in de kern over zelforganisatie, over het mobiliseren van de hulpbronnen en krachten in communities, zodat gemeenschappen zoveel mogelijk zaken zélf kunnen oppakken en gedaan kunnen krijgen. Wie zich verdiept in zelforganisatie en de instrumenten om dat te stimuleren, komt automatisch uit bij de erfenis van community organization. Een publicatie die in Nederland veel invloed heeft gehad is Community organization. Theory, principles and practice van Murray Ross (1955). Hij neemt het ‘helpt uzelf als de essentiële basis van elk hulpprogramma’ als uitgangspunt, maar schuift tegelijkertijd de community organizor of opbouwwerker als onmisbare professionele helper naar voren.

In het gepolariseerde debat over burgerkracht is de automatische reflex tegenwoordig om bij woorden als ‘professionele helper’ of ‘beroepskracht’ onmiddellijk de begrippenparen leefwereld − systeemwereld (Jürgen Habermas) en bottom-up − top-down in stelling te brengen en vast te stellen dat professionals aan de ongelijke machtsbalans willen vasthouden en de ervaringskennis van burgers weigeren serieus te nemen. Dat is een groteske voorstelling van zaken. Natuurlijk zijn er vele voorbeelden te noteren van ontspoorde professionaliteit, maar er is ook een rijke methodische traditie, zowel binnen de individuele maatschappelijke hulpverlening als binnen de community organization, die vruchtbaar is voor het versterken van eigen kracht, eigen regie en zelfmanagement van personen en gemeenschappen. Het aloude begrip empowerment verdient herwaardering omdat hierin nu juist werd geappelleerd aan het ‘verlenen’ van macht aan machtelozen.

Adequate professionals met de juiste tools gaan het verschil maken

Het is kortom de hoogste tijd om de methodische traditie serieus te nemen, en vooral ook de discussie naar de effectiviteit van methoden of interventies vanuit het principe ‘help mij het zelf te doen’. De effectiviteit van de helpende professies ligt niet alleen in innovatieve kleinschalige organisatievormen, maar juist ook in het kunnen beschikken over een adequaat instrumentarium van methoden en interventies die nauw verbonden zijn aan het streven naar evidence based werken. Zo wordt wetenschappelijk bewijsmateriaal toegevoegd aan het proces van professionele besluitvorming. De databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, de databank Effectieve sociale interventies van Movisie en de kennisbank Wat werkt in de wijk van Platform31 bevatten beproefde interventies waarvan op basis van praktijkervaring en wetenschappelijk onderzoek aannemelijk kan worden gemaakt dat ze werken, ofwel dat ze positief bijdragen aan het verhogen van de zelfredzaamheid van kwetsbare burgers. Veelal is verdere wetenschappelijke bewijsvoering vereist, maar de eerste stapjes zijn gezet.

Marie Kamphuis was een groot voorstander van het benutten van wetenschappelijke kennis: ‘Het gaat erom dat je methodisch te werk gaat op grond van wetenschappelijke inzichten en praktijktheorieën die geleidelijk aan in het werk zijn ontstaan. Niet het God-zegene-de-greep dat je vroeger had, maar onder andere bewust je gesprekken voeren.’

Bij haar pleidooi sluiten we aan. Burgers moeten heel veel zelf gaan doen, kunnen dat ook, maar hebben daarbij wel de steun nodig van een professionele helper; zeker waar het kwetsbare burgers of groepen bewoners in achterstandswijken betreft. Deze constatering is niet af te doen met goedkope retoriek van het kaliber ‘top-down acties vanuit de systeemwereld’. In alle teksten over de transities in het sociale domein ligt tegenwoordig sterk het accent op organisatievraagstukken. Maar een organisatie moet wel bemenst zijn met adequate professionals met de juiste tools, zeker in ‘de eerste lijn’. Daar in de eerste lijn moeten professionals het verschil gaan maken. Ze doen er verstandig aan alle adviezen over ‘Terugtreden is vooruitzien’ (RMO), ‘Loslaten in vertrouwen’ (Rob) en Vertrouwen in burgers (WRR) niet altijd even letterlijk te nemen door collectief op hun handen te gaan zitten. In sommige situaties en op sommige momenten getuigt dat misschien van grote wijsheid, maar op andere momenten wordt ten onrechte geen gebruik gemaakt van waardevolle inzichten en instrumenten om burgers en burgerkracht te versterken.

Radboud Engbersen en Peter Rensen werken respectievelijk bij Platform31 en Movisie. Dit artikel is een verkorte versie van hun essay ‘Help mij het zelf te doen. Een pleidooi voor methodisch werken aan actief burgerschap’. Den Haag/Utrecht: Platform31/Movisie, 2014.

Noten
1. Kamphuis, M. e.a., Helpen als ambacht. Opstellen over maatschappelijk werk. Baarn: Bosch & Keuning, 1951
2. canonsociaalwerk.eu/IschainterviewtKamphuis.pdf